Wetboek-online maakt gebruik van cookies. sluiten
bladeren
zoeken

Jurisprudentie

AF7032

Datum uitspraak2003-04-09
Datum gepubliceerd2003-04-09
RechtsgebiedBestuursrecht overig
Soort ProcedureEerste aanleg - meervoudig
Instantie naamRaad van State
Zaaknummers200203119/1
Statusgepubliceerd


Uitspraak

200203119/1. Datum uitspraak: 9 april 2003 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend te [woonplaats], tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage van 24 april 2002 in het geding tussen: appellante en het college van burgemeester en wethouders van Leiden. 1. Procesverloop Bij besluit van 5 september 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) appellante vergunning verleend voor het hebben van een terras van maximaal acht m² zoals aangegeven op de bij de vergunning behorende kaart, ten behoeve van de horeca-inrichting “Delifrance”. Bij besluit van 20 juli 2001 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 24 april 2002, verzonden op 8 mei 2002, heeft de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 10 juni 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht. Bij brief van 28 augustus 2002 heeft het college van antwoord gediend. De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 oktober 2002. Na de zitting heeft de Afdeling het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar een meervoudige kamer van de Afdeling. Desgevraagd heeft het college bij brief van 26 november 2002 een reactie ingezonden. De Afdeling heeft het onderzoek vervolgens voortgezet ter zitting van 10 maart 2003, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigde], de echtgenoot van appellante, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.A.B. Pluyter, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. 2. Overwegingen 2.1. Ter zitting is gebleken dat appellante haar zaak per 31 januari 2003 heeft verkocht. Gesteld noch gebleken is dat appellante schade heeft geleden. Appellante heeft tot aan de verkoop van de zaak een terras met een breedte van 2,90 meter geëxploiteerd. Desgevraagd heeft appellante verklaard dat de uitkomst van het hoger beroep geen invloed heeft op de koopovereenkomst tussen appellante en de koper, zodat daarin ook geen belang is gelegen. Appellante heeft betoogd het hoger beroep alleen te hebben voortgezet om een principiële uitspraak van de Afdeling te verkrijgen. Uit het bovenstaande volgt dat appellante geen belang meer heeft bij de beantwoording van de vragen die zij in deze procedure aan de orde heeft gesteld. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling leidt dit er toe dat appellante niet in haar hoger beroep kan worden ontvangen. 2.2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. 2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. 3. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State Recht doende in naam der Koningin: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat. w.g. Parkins-de Vin w.g. Zwemstra Voorzitter ambtenaar van Staat Uitgesproken in het openbaar op 9 april 2003 91-421.